De dierenartsen van DierGezondheidsCentrum Boven-Veluwe begeleiden een flink aantal vleeskalverbedrijven. Vleeskalveren zijn op te delen in blankvleeskalveren en rosékalveren. De vleeskalveren zijn voornamelijk afkomstig van melkveebedrijven, waar deze kalveren minder geschikt zijn voor de opfok tot koeien of stieren voor de melkveehouderij. Daarnaast komen er ook kalveren van de zogenaamde vleesveebedrijven (deze zijn afkomstig van rassen die voor de productie van vlees worden gehouden).
De vleeskalverhouderij bestaat al meer dan 50 jaar en is ontstaan, omdat er veel (vooral stier) kalveren "overbleven", die niet goed genoeg waren om aan te houden als fokkoe, of fokstier. Er worden tegenwoordig weinig stieren aangehouden voor de fokkerij, omdat een groot aantal veehouders zijn/haar koeien laat insemineren, waarvoor een beperkt aantal stieren gebruikt worden. En ook de veehouders die nog met stieren werken, gebruiken vaak maar één of enkele stieren, voor hun gehele veestapel.
Tot het midden van de vorige eeuw werden de kalfjes die men niet nodig had voor de fokkerij al op de eerste of tweede dag na de geboorte geslacht. Medio de 20e eeuw begon men deze kalveren wat langer aan te houden. De kalfjes werden gevoerd met kunstmelk en in kleine hokjes geplaatst en na ongeveer 10 - 12 weken geslacht.
De huidige kalverhouderij is intussen een volwassen veehouderijtak geworden. Een aantal integraties heeft zich toegelegd op het maken van melkpoeder, waarmee de kalveren in een periode van 26 tot 30 weken uitgroeien tot dieren met een excellente vleeskwaliteit. Het betreft hier vooral de blankvleessector. De kalveren uit deze sector leveren heel blank vlees, wat vooral in de zuidelijke Europese landen erg geliefd is.
De zogenaamde rosékalveren krijgen minder melk en meer ruwvoer, worden vaak nog wat langer gehouden (zeven tot elf maanden) en geven minder blank vlees (dit vlees zit tussen blank en rood vlees in).
Er is de laatste jaren veel aandacht besteed aan het welzijn van de dieren. Dit heeft tot gevolg gehad, dat de dieren alleen maar in groepen gehuisvest mogen worden (de meeste in groepen van 4 - 8 kalveren, bij enkele houderijen in groepen van 30 - 75 kalveren). Daarnaast krijgen de kalveren (verplicht) ruwvoer. Om het welzijn in de toekomst nog verder te verbeteren, wordt er momenteel een welzijnsmonitor voor vleeskalveren ontwikkeld door wetenschappers van de Wageningen universiteit, in samenwerking met een aantal gespecialiseerde vleeskalverdierenartsen. De dierenartsen van DGC Boven-Veluwe zijn hier intensief bij betrokken.
Al deze ontwikkelingen hebben er voor gezorgd dat vleeskalveren weliswaar een kort, maar wel een acceptabel bestaan hebben. Hiermee is een restproduct van vroeger omgezet in een zeer gewild culinair product.